God en ik hebben in het dagelijks leven heel wat onverwachte gesprekjes. Die dialogen voeren we vooral in het grootwarenhuis. God wacht mij op aan de ingang, Hij komt naar mij toe bij de rekken van de voedingsproducten, ik ontmoet Hem bij de koelafdeling en vorige week kwam ik Hem tegen op het parkeerterrein. Ik stapte net terug naar mijn wagen. Ik probeerde de grijze, grimmige dag van mij af te zetten, de zoveelste in een lange reeks van kille lentedagen. Het nieuw seizoen liep weken achter op schema. Iedereen keek uit naar de lente, de warmte, de bloemen en de belofte van nieuw leven.
Terwijl ik met mijn karretje het parkeerterrein overstak, zag ik plots de wagen naast mij. Op de voorruit lag een grote bloemenruiker. Bloemen! Prachtige ontluikende lentebloemen, samengebonden met een mooi blauw lint. Daar waren ze dan. Ze wachten alleen nog op de terugkeer van de eigenaar van de wagen om ontdekt te worden.
Van wie kwamen ze? Voor wie waren ze bestemd? Ik reed naar huis. Ik dacht aan de vreugde van de man of vrouw die dit plan had opgevat. Ik beeldde mij de man of vrouw in die de bloemen had gekocht en ze daar had achtergelaten. Misschien zat de schenker op de parkeerplaats wel een paar rijen verder in een auto te wachten op de reactie? Zou er een briefje bijgezeten hebben met een excuus of met misschien zelfs een liefdesverklaring? Ik kon mij gemakkelijk de vreugde en het gevoel van bemind te worden inbeelden bij de man of vrouw wanneer die straks terug zou keren bij de wagen. Ik kon mij voorstellen hoe deze koude en bewolkte dag voor hem of haar zou veranderen in een aangename lenteverrassing.
Ik kijk altijd uit naar een meer rechtstreekse communicatie met God. Ik vergelijk het met een brief die mij zegt hoezeer ik bemind word. Of met een telefoonoproep die mij vertelt hoe ik een probleem moet aanpakken. Toen ik thuis kwam, wenste ik dat God mij bloemen zou zenden. En ik realiseerde mij tegelijkertijd dat Hij dit inderdaad ook doet. Ze bevinden zich in de winkel, op de voorruit van de auto, en nu komen ze doorheen de grond naar boven piepen in onze tuinen.
Maureen McCann Waldron


























