En toch lezen we in de regels voor de onderscheiding van de geesten die Ignatius van Loyola aanreikt in zijn Geestelijke Oefeningen dat voor “wie intens de weg gaan van de zuivering van de zonden en van de opgang van goed naar beter in de dienst van God onze Heer … het eigen is aan de goede geest moed, kracht, vertroostingen, tranen, ingevingen en rust te geven, en aldus alles te vergemakkelijken en alle hindernissen weg te nemen opdat men verder kan gaan met het goede te doen” (G.O. nr 315).
Ignatius gaat ervan uit dat wie weet wat God behaagt en ernaar handelt, gezegend zal worden. En Ignatius spreekt hier uit ervaring – die van hemzelf en van anderen – niet als theoreticus.
Volgens hem is, als we proberen een leven te leiden dat in overeenstemming is met Gods verlangen, het beste criterium om te achterhalen of een ervaring of een keuze of een manier van handelen al of niet door God is ingegeven, om onszelf af te vragen of we gezegend worden, in de zin van het ervaren van “moed, kracht, vertroostingen, tranen, ingevingen en rust.” Deze regel doet denken aan de woorden die Paulus, vertrekkend van zijn eigen ervaring, schreef aan de Galaten: “De vrucht van de Geest liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid en ingetogenheid.” (Gal 5, 22) Trouwens, in dezelfde regel merkt Ignatius op dat “het eigen is aan de kwade geest te knagen, bedroefd te maken, hindernissen in de weg te leggen en met drogredenen onrust te brengen opdat men niet verder zal gaan.”
William Barry sj


























