Aansluitend bij het voorgaande nog deze beschouwing. De hele voorgestelde operatie van belangstelling uitlokken en de werkelijkheid laten ontdekken kunnen wij duiden als een wekken van verwondering over alles wat bestaat, dát het bestaat en hoé, wat vanzelf leidt tot bewondering. Het geleidelijk ontrafelen van wat daarnet voor mij nog verborgen en onbekend was schept die typische belangeloze voldoening in het kennen op zich, alsmede de oergezonde drang om met die verworven kennis iets uit te voeren.
Hierop kan de attente opvoeder de zorg voor minder begunstigden enten, en het jeugdige gemoed de nog hogere vreugde laten smaken van te kunnen en te mogen dienen. Wij zitten in het hart van het ignatiaanse opvoedingsideaal.

























