Op dag van vandaag zijn er meerdere honderden franciscanen in Israël, van alle landen, rassen en talen. Hun bruine pij maakt ze makkelijk herkenbaar. Ze doen buitengewoon goed werk: onthaal van de pelgrims, onderhoud en restauratie van de plaatsen en gebouwen, vormingswerk, bedienen van de Palestijnse christenen …
Gisterenmorgen hebben we de laatste eucharistie gevierd van onze pelgrimstocht: de eucharistie van de Verrijzenis, in een zijkapel (van de Franciscanen!) van de Heiliggrafkerk, op enkele meters van de plaats die vereerd wordt als grafplaats van Jezus.
Daarna de bus in richting luchthaven van Tel Aviv. Maar niet vooraleer een uitvoerige ontmoeting te hebben in Emmaüs met een Franse Benedictijn. “Frère Olivier” maakt deel uit van een gemeenschap van 9 monniken een beetje buiten Jeruzalem. Hun apostolaat, in de lijn van de regel van Benedictus, is het onthaal. Zij hebben in het bijzonder veel contact met joden en moslims. Frère Olivier vertelde ons heel wat anekdotes over wat dat onthaal concreet kan betekenen. Het maakte meteen duidelijk hoe het komt dat hij, in een land waar de spanningen en de verdeeldheid de laatste jaren exponentieel zijn toegenomen, kan blijven geloven in de zinvolheid van deze benedictijnse aanwezigheid.
“Als christenen moeten wij blijven hopen”.

























