Een franciscaan en een jezuïet waren goede vrienden. Beiden waren rokers en vonden het moeilijk om langere tijd te bidden zonder te roken. Ze besloten dan ook hun overste toestemming te vragen om te roken tijdens het bidden.
Toen ze mekaar terug zagen was de franciscaan terneergeslagen. Ik heb aan mijn overste gevraagd of ik mocht roken terwijl ik bad en zijn antwoord was “neen”.
De jezuïet moest lachen. Ik heb gevraagd of ik mocht bidden terwijl ik rookte. En hij antwoordde “natuurlijk”.
Dit is mijn favoriete jezuïetengrap. Ik lees er van alles in dat me dierbaar is als jezuïet en, ruimer, als christen.
1. De uitdaging van de verscheidenheid
Ik had een grootoom-franciscaan. Nonkel Pater was een heerlijke man. Toch mag ik er niet aan denken zelf franciscaan te zijn. Die jas past me niet. Dat hoeft ook niet. Er zijn namelijk ook jezuïeten en daar weet ik me wel toe geroepen. De verscheidenheid in onze Kerk, op alle vlak, is een troef. Het is ook een uitdaging om die verschillen verschillen te laten zijn, eerder dan ze al te vlot weg te gommen.


























