De Bijbel is hèt ‘Boek der Tranen’. Jezus weent over Jeruzalem en over Lazarus. Tranen zijn belangrijk voor God. Op het einde der tijden zal hij ‘alle tranen uit hun ogen wissen’ (Apk 21,4). Zo de dood ons inderdaad tot tranen toe beroert, dan geloven we eveneens dat we niet wenen in een heelal dat geen zorg voor ons draagt. Tot zijn nieuwe bekeerlingen zegt Paulus: ‘Wees niet bedroefd, zoals de andere mensen die geen hoop hebben’ (1 Tes 4,13).
Er is een duurzame zegening voor tranen: ‘Gelukkig die nu wenen, jullie zullen lachen’ (Lc 6,21). Tranen getuigen van onze liefde voor onze overledenen. Maar onze liefde gaat niet verloren. Onze tranen zijn niet nutteloos. Zij, van wie wij de indruk hebben dat zij ons verlaten hebben, worden ons teruggeschonken. Jezus zegt: ‘Ja, ik moet weggaan en voor jullie een plaats gereedmaken, maar ik kom terug, en dan neem ik jullie bij Me op, zodat waar Ik ben, ook jullie zullen zijn’ (Joh 14,3). Hij belooft zijn leerlingen dat ze elkaar zullen terugvinden, niet als individuen, maar als een gemeenschap. Het hele lichaam van Christus zal uiteindelijk allen in één geheel samenbrengen, en allen samen zullen wij ons verheugen.


























