In Buchenwald hadden we er die rijk waren. Maar het was aartsmoeilijk om ze in de massa op het spoor te komen … Ik dacht maar aan één iets: ze herkennen. … De rijken waren diegenen die op de een of de andere manier niet aan zichzelf dachten, of die er maar uitzonderlijk aan dachten, gedurende een of twee minuten, in geval van hoogdringendheid. …
Dat was het wat je nodig had om te leven in het kamp: deelnemen. Niet enkel maar voor je eigen rekening leven . … Je blik verruimen. In aanraking komen met wat verder gaat dan jezelf. Ongeacht op welke wijze: door gebed als je weet hoe te bidden, door de warmte van een ander mens die zich aan jou aanbiedt of door de warmte die hij hem geeft, of gewoon door niet langer hebzuchtig te zijn.
… Deelnemen, op welke wijze dan ook. Maar het doen! Het was voorzeker moeilijk: de meeste mensen kwamen er niet toe. Ik kan niet zeggen hoe het komt dat de vreugde mij nooit helemaal ontnomen is geworden. Het was gewoon zo: ze had me goed in haar greep. Op de meest ongelooflijke plaatsen wachtte ze me op: bijvoorbeeld in het dieptepunt van de angst. En de angst verliet me, zoals de etter uit een zweer die openbreekt.


























