“Naar mijn mening is het alsof er in de levensfase van mijn ziek-zijn al stilaan iets doorschemert van het overweldigende leven dat na dit leven komt. Een stille, lieve bevangenheid stijgt uit boven mijn waanbeelden en doet die glimlachen.
En het lijkt alsof God in de mens al iets prijsgeeft van het grote mysterie als wij heel dicht bij het diepste psychisch lijden komen. Leven bewijst dat psychose geen einde is, maar een voorbereiden ervan.
Mijn geloof leert mijn ziekte praten. Mijn ziekte leert mij zwijgen …, nu mag ik ver heen wezen.” (pp 37-38)


























