De evangelisten beelden Jezus af als iemand die zijn lijden vastberaden onder ogen ziet. Jezus negeert de werkelijkheid van het lijden niet. Integendeel, Hij kiest er voor om het ‘met een gezicht zo onbewogen als een rots” tegemoet te treden. De vier evangelisten nemen de woorden van Psalm 22 over. Die drukt ‘een gedicht over de door God verlaten mens’ uit. Psalm 22 klinkt ook als ‘een gebed van een onschuldige man’. Aan de profeet Jesaja ontlenen zij het thema van de lijdende dienaar van God. De evangelisten beschrijven Jezus als de man die vervult wat Jesaja had beschreven. Het is de man die tijdens de grote Babylonische ballingschap van Israël werd geroepen “om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen” (Jes. 49, 6). En dit opdat Gods redding mag reiken tot het einde van de wereld. Jezus blijft hier trouw aan tot zijn dood.
Later zou Paulus beschrijven hoe hijzelf het lijden dat vóór hem lag van geen belang achtte. Daarbij dacht hij aan de wijze waarop Jezus zijn dood tegemoet ging.
“Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer” (Rom. 8, 38-39).
Laten wij Jezus navolgen en ons laten leiden door Paulus’ inzicht in wat Jezus’ offer betekent. Ons gebed drukt dan uit dat wij mogen leven in trouw aan onze God die ons bemint. We staan op dat moment volledig klaar om te gaan waarheen Hij ons roept. En dit zonder vrees voor de gevolgen van die roeping.
Tim Muldoon


























