Wanneer ik als opgroeiende jongen haar opzocht, dan vroeg ze me altijd om een poosje naast haar op de schommel te komen zitten. Dan klopte ze met haar hand zachtjes op mijn been en sprak mij toe met “m’n allerliefste”. Zolang mijn grootmoeder leefde, was er altijd – ondanks al haar pijnen – voor mij een plaatsje vrij op de schommel.
Mocht iemand mij vragen om de betekenis van ‘genade’ uit te leggen, dan zou ik een tekeningetje maken van mijn grootmoeders schommel. De plek waar ik mij nooit voorzichtig moest uitdrukken of uitleg geven. Ik hoefde mij geen zorgen te maken, ongeacht wat voor ballast ik ook met me meedroeg. De schommel in de veranda, symbool van mijn grootmoeders aanwezigheid, schonk me zonder enige voorwaarde genade.
Terry Hershey


























