Ik was muntjes uit mijn geldbeugel aan het vissen toen ik zachtjes werd
aangesproken. Mijnheer, kan ik u even
spreken? Die voorzichtige woorden kwamen uit de mond van een man die jonger
leek dan ikzelf. Zijn voorste tanden was
hij kwijt. Zijn kleren maakten duidelijk dat het hem niet voor de wind ging. Ik
had net tussen de kopermuntjes een euromunt opgemerkt en gaf die aan de man.
wees naar een andere automaat. Daar is
iets verkeerd mee. Als u daar geld in stopt, krijgt u een dubbele portie.
Ik dankte de man hartelijk voor de tip. Ik hoefde geen dubbele portie.
persoon die hij die avond had aangesproken. Hij zou me nooit meer terug zien.
Mijn – minimale – vriendelijkheid voor hem had meteen een tegenbeweging van vriendelijkheid
opgeroepen. Goedheid gaat niet verloren. Ook niet als het maar om één euro
gaat.
Nikolaas Sintobin sj



























