Maar wat is die essentie?
Meteen na de film voelde ik me overdonderd door de negativiteit: perversie, geweld, onrechtvaardigheid, schijnheiligheid, jaloersheid, bekrompenheid, achterbaksheid … Was het de zoveelste film waarin een cineast wilde afrekenen met persoonlijke frustraties, zonder er voor terug te deinzen de complexiteit van de werkelijkheid retroactief te reduceren tot het spectrum van zijn persoonlijke problematieken?
Het verfijnen van de terugblik op de film deed me inzien dat dit niet het geval was. De camera toont ook heel wat subtiele schoonheid: de ontwapenende goedheid van een klein kind, de respectvolle liefde van de onderwijzer voor Eva, de mildheid van de domineesvrouw, de schoonheid van de gezangen … Neen, het oog van de cineast was niet ideologisch.
Ik heb wel opnieuw ervaren dat de onmiddellijke aantrekkingskracht van het negatieve heel sterk is. Het vraagt fijngevoeligheid, geloof en vertrouwen om Gods Geest aan het werk te zien in onze wereld.
Dat geldt voor een film. Dat geldt voor het leven “tout court”.

























