3/ Ik zou langzaam in het spreken zijn zodat het luisteren voor mij nuttig wordt, vooral rustig om opvattingen, gevoelens en wil van de anderen die aan het woord zijn, te vernemen en te leren kennen, om zo dan beter te kunnen antwoorden of te zwijgen.
4/ Wanneer over het één of ander gesproken wordt, dan geef je redenen aan beide kanten (partijen), zodat je niet toont door het eigen vooroordeel verhinderd te zijn ; ik zou me vooral inspannen om niemand met een ontevreden gevoel achter te laten.
5/ Ik zou niet om het even wie als autoriteit inroepen, vooral niet wanneer ze van groot gewicht zijn, behalve bijzonder weloverwogen dingen (argumenten) ; want ik moet met iedereen goed staan en mag voor niemand een bepaalde voorkeur hebben.
6/ Wanneer de dingen waarover men spreekt, zo gegrond zijn en je er niet meer kan of mag over zwijgen, dan is het goed zijn eigen mening met de grootste rust en deemoed geven en te besluiten met een “behoudens een beter oordeel”.
7/ Wanneer over verworven of geschonken inzichten gesproken en onderhandeld wordt, is het goed erover te spreken, maar niet in mijn vrije tijd of tijdens wat schaarse tijd of in de vluchtigheid, dus wanneer het mij goed uitkomt, maar wanneer het de ander past om hem/haar zo tot grotere eer te bewegen.


























