Toen ik dit soort van gebed voor de eerste keer uitprobeerde, beeldde ik me in dat Jezus me recht aankeek, van heel dichtbij, met liefdevolle en bescheiden ogen. Ik voelde me onbeholpen en verlegen. Mijn eerste reactie was achteromkijken naar wie er achter mij stond. Ik keerde me weer om en Jezus keek nog altijd naar mij met oneindige liefde en met een glimlach die mijn hart verschroeide, en ik begon te wenen.
Ik was niet voorbereid op de kracht van die blik. In mijn leven heb ik heel wat afbeeldingen van Jezus gezien die vanaf het schilderij of de icoon recht naar de toeschouwer keken. Maar daarvan ging altijd een strenge en plechtige indruk uit; alsof Jezus al de verborgen zonden van de mensheid las.
In deze oefening nu raakte ik gebiologeerd door Jezus’ blik. Die richtte zich op niemand anders dan op mij, kleine kwetsbare mens. En Jezus lachte. Ik kon niet loskomen van de liefde in die ogen en van het feit dat die blik voor mij bedoeld was. Ik ben niet waardig, bleef ik maar denken, maar hoe langer ik daar zat, hoe meer ik begon te geloven dat ik het wellicht wel waard was. Ik begon te geloven dat Jezus wellicht iets inschikkelijker is voor mij dan ik het voor mezelf ben, dat hij mijn gebreken wel ziet, maar dat hij ook verder ziet, ook het beste van mij ziet, de kern van wat ik echt ben.
Ginny Kubitz


























