Eerste bekoring: “De bekoring van de vijandige verharding, ttz het zich willen opsluiten in de letter (…), in de binnenkant van de wet, in de zekerheid van wat we kennen en niet van wat we nog moeten leren en bereiken. Ten tijde van Jezus, was dit de bekoring van de Zeloten, van de scrupulanten, van de mensen met haast. Vandaag van hen die we “traditionalisten” of ook “intellectualisten” noemen.”
Tweede bekoring: “De bekoring van een vernietigende wereldvreemdheid, die in naam van een verraderlijke barmhartigheid wonden verbindt zonder die eerst te verzorgen, die de symptomen behandelt en niet de oorzaken en de wortels. Het is de bekoring van de angstigen en ook van hen die “progressieven en liberalen” worden genoemd.”
Derde bekoring: “De bekoring om de steen te veranderen in brood om een langdurige, lastige en pijnlijke vasten te beëindigen (Lc 4, 1-4) en ook om brood om te vormen in steen en om die steen te werpen naar de zondaars, de zwakken, de zieken (Joh 8, 7), ttz om hem om te vormen in een ondraaglijke last (Lc 10, 27).”
Vierde bekoring: “De bekoring om van het Kruis af te komen, om de mensen tevreden te stellen en daar niet te blijven om de wil van de Vader te vervullen, om toe te geven aan de geest van de wereld, eerder dan die uit te zuiveren en hem om te vormen naar Gods Geest.”
Vijfde bekoring: “De bekoring om het depositum fidei (= de schat van het geloof) te verwaarlozen door zichzelf niet te beschouwen als de hoeders maar als de eigenaars en de heren. Of, omgekeerd, de bekoring om de werkelijkheid te verwaarlozen door een al te subtiel woordgebruik of door heel veel woorden te gebruiken om niets te zeggen. Ik meen dat men dit “byzantinisme” noemt.”
(…) “De bekoringen mogen ons geen angst inboezemen of van de wijs brengen en nog minder ons ontmoedigen. Immers, geen enkele leerling is groter dan zijn meester. Indien dus Jezus bekoord is geworden – en zelf Beëlzebul werd genoemd (Cfr Mt 12, 24), dan moeten zijn leerlingen niet rekenen op een betere behandeling. Persoonlijk zou ik te zeerste bezorgd en droef geweest zijn waren die bekoringen en genanimeerde discussies er niet geweest, die bewegingen van de geesten, zoals de heilige Ignatius van Loyola ze noemt (Geestelijke Oefeningen nr 6), waren allen het eens geweest of stilzwijgend in een onechte en quietistische vrede. In de plaats daarvan heb ik met vreugde en erkentelijkheid de toespraken en de tussenkomsten gezien en gehoord, de pastorale en doctrinele ijver, de wijsheid, de oprechtheid, de moed en de “parresia” (= vrijmoedigheid)…
En dit steeds, ik heb het hier in de aula gezegd, zonder de fundamentele geloofswaarheden van het sacrament van het huwelijk in vraag te stellen: de onontbindbaarheid, de eenheid, de trouw, en de vruchtbaarheid, de openheid op het leven.” (cfr Cann. 1055, 1056; en Gaudium et spes, 48).
(…) Dit is de ene, heilige, Katholieke en apostolische Kerk die bestaat uit de zondaars die nood hebben aan Gods barmhartigheid. Dit is de Kerk, de echte bruid van Christus, die probeert om trouw te zijn aan haar bruidegom en aan haar leer. Dit is de Kerk die er geen angst voor heeft om te eten en te drinken met de prostituees en de tollenaars, de Kerk wier duren wijdopen staan om te onhalen die in nood verkeren, die berouw voelen en niet enkel maar de rechtvaardigen of zij die menen dat ze volmaakt zijn!”
Vertaald uit een Franstaligverslag op Radio Vaticaan


























