Arme en machteloze groeperingen, die zich onderdrukt en vernederd voelen, komen vanzelf in verzet. Zonder wapens voelen ze zich machteloos. Het enige wapen dat nog werkt is de godsdienststrijd. De strijd tegen de onderdrukkers is dan een gevecht tegen de goddelozen. Het is dan eervol om voor God te sterven en gerechtvaardigd om uit naam van God de tegenstanders te doden.
Deze fanatiek religieuze groeperingen zijn niet te bestrijden met gewapend geweld, want dat versterkt juist hun strijdlust. Elke dode medestrijder motiveert hen om nog feller tekeer te gaan. Armen en rechtelozen ervaren dat ze toch niets meer te verliezen hebben. Ze offeren zich daarom op voor een goed doel, dat is de eer van hun God.


























