Een tijdje geleden hadden we in onze gemeenschap een gesprek over hoe, in onze cultuur, het Evangelie beleven en verkondigen. Een medebroeder zei dat hij onze tijd net daarom zo ongelofelijk boeiend vond. Immers, het verdwijnen van de christelijke cultuur, van het “normaal zijn” van het christen zijn, maakt dat we ons opnieuw, en wel in alle vrijheid, de vraag kunnen stellen: wat betekent het nu eigenlijk om christen te zijn. Deze vraag wordt nog pertinenter door de groeiende aanwezigheid van andere godsdiensten in onze contreien: wat is typisch aan het christendom, of nog, wat onderscheidt ons geloof van andere religieuze tradities.
Het ligt hem niet in de moraal. Die fameuze christelijke waarden en normen, die bestaan eigenlijk niet. Preciezer, er bestaan geen typisch of exclusief christelijke waarden. In andere godsdiensten vind je dezelfde morele principes als in het christendom. En ook in niet gelovige levensovertuigingen kan je dezelfde waarden en normen aantreffen. Ook het bidden of de liturgie maken het verschil niet uit. Die tref je ook aan in andere religieuze tradities. Uiteraard in andere vormen en met andere inhoud. Maar mocht een marsmannetje een jood, een moslim of een christen beurt om beurt zien bidden en vieren, dan zou dat mannetje waarschijnlijk meer getroffen zijn door de uiterlijke gelijkenissen dan door de verschillen.
De beide lezingen van vandaag verwijzen ons rechtstreeks naar die bijzonderheid van ons geloof. Om even het zwaar geschut boven te halen, die eigenheid wordt uitgedrukt in het christologisch en het trinitaire dogma: de persoon van Jezus en de Drieëne God. In de geschiedenis van het christendom is het rond deze beide thema’s dat de breuk met het jodendom en met de islam zich heeft voltrokken: het geloof in de mens-God Jezus en het mysterie van Triniteit.
Wij geloven niet in de eerste plaats in God. Dat doen joden en moslims net zo goed, en de hindoes geloven in meerdere goden tegelijkertijd. Als christenen geloven wij in het bijzonder in Jezus. Wij geloven dat hij het Licht is, de Weg, de Waarheid en het Leven. Wij geloven dat Hij de Redder, de Heiland is die ons brengt tot de volheid van God. Christen zijn betekent leven vanuit een verbondenheid met Jezus.
ð Ons handelen, onze ethiek wordt maar christelijk in de mate dat het zich inspireert aan of voortkomt uit die verbondenheid.
ð Ons bidden en ons vieren worden pas christelijk in de mate dat wij ons openen voor de relatie met de Heer.
Christen zijn is niet iets objectiefs. Het gaat niet over het navolgen van regeltjes. Het gaat in de eerste plaats over een relatie. Soms zal die relatie sterk zijn en heel soms zullen sommigen die verbondenheid bijna fysiek kunnen voelen. Vaak gaat het eerder over een verlangen of zelfs maar een verlangen naar dat verlangen.
Het geloof in Jezus leidt evenwel nog verder. “Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij maar in Hem die Mij gezonden heeft; en wie Mij ziet ziet Hem die Mij gezonden heeft” hoorden we Jezus daarnet zeggen in de evangelielezing. En in de lezing uit de Handelingen wordt twee maal gesproken over de werking van Geest.
Met andere woorden, Jezus openbaart ons niet zo maar God. Hij openbaart ons dat er in de ene Goddelijke natuur drie onderscheiden personen zijn: Vader, Zoon en Geest. God is liefde en dus verbondenheid. Elk van de drie goddelijke personen is een unieke wijze waarop God bestaat. Thomas van Aquino definieert de goddelijke persoon als “relatio subsistens”. Het wezen van God bestaat erin liefdevol in relatie te staan met anderen. Zowel naar binnen toe – ttz de goddelijke personen onder mekaar – als naar buiten toe – de schepping in het algemeen, en de mensen in het bijzonder.
Hiermee staat of valt ons christelijk geloof. Hierin ligt de uniciteit en bijzonderheid van de christelijke openbaring: het levende geloof in Jezus die ons de Drieëne God van de liefde openbaart. Aan elk van ons om in zijn of haar leven Jezus te ontvangen, toe te laten dat Hij ons binnenleidt in het mysterie van God en om, op onze beurt, zijn zelfgave te delen met anderen.


























