“Ook voor wie het geestelijk leven ernstig neemt is het wenselijk onderscheid te maken tussen subjectieve gevoelens en objectieve realiteit waneer je probeert te onderscheiden wat troost en troosteloosheid nu concreet betekenen in het geestelijk leven van een persoon.
Als je droef bent om je zonden, noem dit dan geen troosteloosheid. Immers, deze droefheid is “goddelijke droefheid” die “leidt tot berouw dat heilzaam is en waarvoor men geen spijt voelt” (2 Cor 7,10).
Anderzijds, als je plezier ervaart of tevredenheid omdat je toegegeven hebt aan “lage of aardse” dingen en bezigheden, noem dit dan niet automatisch troost. Het kan je immers van God verwijderen.”

























